|


















Pagina bijgewerkt op:
09-05-2012 18:51:22
| |
RASVERSCHIJNING
De Duitse Herdershond is middelgroot, licht
gestrekt, krachtig en goed bespierd, de knoken zijn droog en de
totaalstructuur is vast. De schofthoogte van reuen bedraagt 60
tot 65 cm en 55 tot 60 cm voor teven. De romplengte overtreft de
schofthoogte met ongeveer 10 tot 17%.
De Duitse Herdershond is evenwichtig in karakter, zenuwvast,
zelfverzekerd, absoluut onbevangen en volkomen goedaardig. Hij
is tevens opmerkzaam en handelbaar. Hij bezit moed, strijddrift
en hardheid, waardoor hij inzetbaar is als geleide-, waak-,
verdedigings-, dienst- en herdershond.
De kop van de Duitse Herder is wigvormig, in
overeenstemming met de lichaamsgrootte, zonder plomp of overstrekt te
zijn, in totaal droog en tussen de oren matig breed. Het voorhoofd is
van voren en van opzij gezien slechts weinig gewelfd en zonder of
slechts met zwak aangeduide middengroef. De verhoudingen tussen
bovenscheden en gezichtsgedeelte bedraagt 50%-50%. De breedte van de
bovenschedel komt ongeveer overeen met de lengte van de bovenschedel. De
bovenschedel gaat (van boven gezien) van de oren tot de punt van de
neus, gelijkmatig verkleinend via een schuin verlopende, niet scherp
gevormde stop over in het wigvormig gezichtsdeel (vang) van de kop.
Boven- en onderkaak zijn krachtig ontwikkeld. De neusrug is recht, een
dip of welving is niet gewenst. De lippen zijn strak, goed aansluitend
en van donkere kleur. De neus moet zwart zijn. |
 |
 |
Het gebit moet krachtig, gezond en volledig zijn. De Duitse
Herdershond heeft een schaargebit, de kaakbeenderen moeten
krachtig ontwikkeld zijn zodat de tanden diep in het tandbeen
ingeworteld kunnen zijn. Het gebit telt 20 tanden en kiezen
boven en 22 tanden en kiezen vanonder.
De ogen zijn middelgroot, amandelvormig, iets schuinliggend en
niet uitpuilend. De kleur van de ogen moet zo donker mogelijk
zijn. Lichte, priemende ogen zijn niet gewenst, aangezien ze
afbreuk doen aan de uitdrukking van de hond.
De Duitse Herder heeft staande oren van middelmatige grootte,
die rechtop en gelijkgericht gedragen worden (niet zijwaarts
getrokken). Ze lopen spits uit en zijn met de oorschelp naar
voren gericht.
De hals moet krachtig, goed bespierd en zonder losse keelhuid
zijn. De hoek ten opzichte van de romp bedraagt 45°.
De bovenbelijning verloopt, zonder een zichtbare
onderbreking, vanaf de halsaanzet over de goed ontwikkelde
schoft en over de, ten opzichte van een horizontale lijn, heel
licht afvallende rug tot aan de licht afvallende croupe.
De
rug is vast en goed bespierd. De lenden zijn breed, krachtig
gevormd en goed bespierd.
De croupe moet lang en licht afvallend zijn (ong. 23° t.o.v.
een horizontale lijn) en zonder onderbreking van de
bovenbelijning overgaan in de staartaanzet. |
De borst moet matig breed zijn, de onderborst zo lang mogelijk
en uitgesproken. De borstdiepte moet ong. 45 tot 48% van de
schofthoogte bedragen.
De ribben behoren een matige welving te tonen, een tonvormige
borst is net zo foutief als vlakke ribben.
De staart reikt minstens tot aan het spronggewricht, evenwel
niet over het midden van de achtervoet. Ze is aan de onderzijde
iets langer behaard en wordt in een licht afhangende boog
gedragen, waarbij ze in opwinding en bij beweging meer opgeheven
gedragen wordt, evenwel niet boven de ruglijn.
De voorste ledenmaten zijn van alle zijden bezien recht en
van voren bezien absoluut parallel. Schouderblad en opperarmbeen
zijn van gelijke lengte en door middel van krachtige bespiering
vast tegen het lichaam gelegen. De hoeking van schouderblad en
opperarm bedraagt in het ideale geval 90°, doorgaans tot 110°.
De ellebogen mogen noch in stand noch in beweging uitgedraaid
worden evenmin naar binnen gedrukt zijn. |
 |

Het skelet van de Duitse Herdershond |
De onderarmen zijn van alle zijden bezien recht en absoluut
parallel staande ten opzichte van elkaar, droog en vast bespierd.
De middenvoorvoet heeft een lengte van ong. een derde van de
onderarm en heeft een hoeking met deze van 20 tot 22°. Zowel een
te schuin staande middenvoorvoet als een te steil staande
beïnvloeden de gebruiksgeschiktheid,in het bijzonder het
uithoudingsvermogen.
De poten zijn rond, goed gesloten en gewelfd. De voetzolen
zijn hard maar niet bros. De nagels zijn krachtig en donker van
kleur. De plaatsing van de achterpoten is licht terugstaand,
waarbij de achterste ledenmaten van achter bezien parallel ten
opzichte van elkaar staan. Boven- en onderschenkel zijn van
ongeveer gelijke lengte en vormen een hoek van ong. 120°. De
dijen zijn krachtig en goed gespierd. De spronggewrichten zijn
krachtig gevormd en vast. De achtermiddenvoet staat loodrecht
onder het spronggewricht. De voeten/tenen zijn gesloten, licht
gewelfd, de zolen hard en donkere kleur, de nagels krachtig,
gewelfd en eveneens donker van kleur. |
| De Duitse Herdershond is een draver. De ledematen
moet in lengte en hoekingen zo op elkaar afgestemd zijn dat zij,
zonder wezenlijke verandering van de rugbelijning, de achterhand
tot aan de romp verplaatsen kunnen en met de voorhand net zover
kunnen uitgrijpen.
Iedere neiging tot overhoeking en de achterhand vermindert de
vastheid en het uithoudingsvermogen en daarmee de
gebruikswaarde. Bij correcte verhoudingen in de bouw en
hoekingen is een ruim uitgrijpend, vlak over de bodem gaand
gangwerk mogelijk, dat de indruk geeft van voorwaarts gerichte,
moeiteloze bewegingen. Bij een naar voren geschoven hoofd en
licht opgeheven staart ziet men bij een gelijkmatige en rustige
draf een vanaf de oorpunten over de nek en de rug tot aan de
punt van de staart licht gebogen en niet onderbroken
rugbelijning.
De huis is (los) aanliggend zonder evenwel plooien te vormen.
De correcte beharing van de Duitse Herdershond is het
stokhaar met onderwol. Het dekhaar moet zo mogelijk dicht, op
correcte wijze hard en vast aanliggend zijn. Aan de kop is het
haar, met inbegrip van de binnenzijde van de oren, aan de
voorzijde van de ledematen, op poten en tenen, kort en aan de
hals wat langer en sterkte behaard. Aan de achterzijde van de
benen is het haar langer tot aan het polsgewricht. Aan de
achterzijde van de dijen vormt het een matige broek.
Kleuren: Zwart met roodbruine of bruine, gele tot lichtgrijze
aftekening, eenkleurig zwart en grauw, bij grauw donker gewolkt,
zwart zadel en masker. Onopvallende, kleine witte borstvlekken
evenals zeer lichte binnenzijde zijn toegelaten, maar niet
gewenst. De neusspiegel moet bij alle kleurslagen zwart zijn.
Ontbrekend masker, licht tot priemende oogkleur evenals licht
tot witachtige aftekening aan borst en binnenzijde, lichte
nagels en rode staartpunt duiden op pigmentzwakte. De onderwol
vertoont een lichte grauwe tint. De kleur wit is niet
toegelaten.
Grootte en Gewicht:
Schofthoogte reuen: 60 tot 65 cm. Gewicht reuen: 30 tot 40 kg.
Schofthoogte teven: 55 tot 60 cm. Gewicht teven: 22 tot 32 kg.
|

De Duitse Herder is een echte kindervriend |

Anatomie van de Duitse Herder |
Testikels: Reuen behoren twee duidelijke, normaal ontwikkelde
testikels te hebben, die zich volledig in het scrotum bevinden.
Fouten: Iedere afwijking van de in de voorgaande genoemde punten,
moet als fout aangemerkt worden, waarbij de waardering in juiste
verhouding met de graad van de afwijking behoort te staan.
Ernstige fouten: Afwijkingen van de voorgenoemde raspunten, welke de
gebruiksgeschiktheid benadelen.
- Oorfouten: Zijwaartse diep aangezette oren, tiporen, te eng naar
binnen gestelde oren (Schildspanner), niet vaste oren.
- Ernstige pigmentfouten.
- Ernstige nalatende vastheid van het hele lichaam.
- Tandfouten: Alle afwijkingen van het schaargebit en de
tandformule, voorover het niet om uitsluitende fouten (zie
onderstaand) gaat.
Uitsluitende fouten:
- Karakterzwakke, bijterige en zenuwzwakke honden.
- Honden met vastgestelde "ernstige heupdysplasie".
- Monorchide en kryptorchide reuen of met duidelijke ongelijke of
niet ontwikkelde teelballen.
- Honden met fouten die de oren en staart misvormen.
- Honden met misvormingen.
- Honden met tandgebreken door het missen van: 1 x Premolaar 3 en
een verdere tand,
of 1 x Hoektand,
of 1 x Premolaar 4,
of 1x Molaar 1, resp. Molaar 2,
of in totaal 3 tanden of meer.
- Honden met kaakfouten: Bovenover- en ondervoorbijten van 2 mm.
of meer.
Tanggebit (van alle snijtanden).
- Honden die meer dan 1 cm. te groot of te klein zijn.
- Albino's.
- De haarkleur wit (ook bij donkere ogen en nagels).
- Langstokhaar (lang, zacht niet vast aangesloten dekhaar met
onderwol, waaiers/pluimen aan oren en benen, zeer vol behaarde
staart met waaiervorming naar beneden).
- Langhaar (lang, zacht haar zonder onderwol, meestal op het
midden van de rug gescheiden, waaiers/pluimen aan de oren, benen en
staart).
|
|